#8 paniek!

Een van mijn eerste herinneringen was dat ik op bezoek ging bij het ziekenhuis. In een steriele ziekenhuiskamer lag mijn vader, aan allerlei apparaten. Hij zag er doodziek uit. In mijn gedachten vond ik dat heel erg, en voelde ik mij erg verdrietig. Toch rende ik vrolijk op hem af en schreeuwde ‘pappa!’. Van hem kreeg ik een knuffel, waar zijn hart en ziel in zaten.

Een paar weken later riep mijn moeder mij naar onze woonkamer. Terwijl het kleine mannetje van zes haar aan keek, moest zij moed verzamelen om te vertellen wat ze moest vertellen.

 ‘Je vader is vannacht overleden.’

Even bevroor ik. Het kon niet waar zijn. Hij zou toch weer beter worden? Moest ik nu zonder vader verder? Wat betekende dit voor mijn leven? Voor mijn moeder en broer? Mijn kinderhoofdje kon het op dat moment niet vatten.

Ineens verloor Madrid zijn glans. In de zijstraten van de statige hoofdstraat zag ik een paar duistere steegjes. Een paar mensen keken mij bozig aan. Mijn gedachten werden ook duisterder.

Plots realiseerde ik me dat deze situatie wel eens erg gevaarlijk zou kunnen zijn.

De drugsdealer had gezegd dat hij alcohol wou drinken, en bedoelde dat hij dronken wou worden. ‘Als hij alcohol wil drinken’ dacht ik ‘Zou misschien ook wel voorstellen om drugs te gaan doen?

Deze realisatie leidde tot de volgende ‘Hij is een drugsdealer’ Dus hij handelt in drugs. Misschien dat hij wel samenwerkt met anderen. Misschien wil hij met mij samenwerken. Hij zou mij wel eens willen betrekken in zijn criminele bezigheden. Wat voor plannen heeft hij?’

Achteraf kan ik hier wel om lachen. Dat hij een drugsdealer was betekende nog niet dat hij plannen met mij zou hebben. Waarschijnlijk wou hij gewoon werkelijk alleen maar een avondje ontspannen onder het genot van een fles alcohol, twee liter cola, een zak ijs en goed gezelschap.
Op dat moment raakte ik echter in paniek en kon ik niet meer helder nadenken.

De angst kleurde mijn redenatie Hij was wel erg dominant en intimiderend over gekomen. Hij woonde in een duur huis, dus hij was rijk. Een succesvolle drugsdealer. Dus een serieuze drugsdealer. Iemand die mensen naar zijn hand kan draaien.’
 ‘Hoe ziet een drugsdealer een liftende Nederlandse jonge man? Wil hij mij gebruiken als drugskoerier? Dat is niet wat ik wil!

Zoals je misschien al doorhebt kun je begrijpen dat deze reeks aan gedachten steeds minder realistisch werden. Paniek nam de overhand en deed alles er uit zien als gevaarlijk. Hoe meer ik in paniek raakte, hoe minder realistisch mijn gedachtes waren.

Dit soort onrealistische en ingewikkelde gedachtenpatronen noemt men ‘wanen’. Deze eerste waan was een voorteken van een psychose. Op dat moment had ik echter geen idee dat dat er psychisch iets mis aan het gaan was.

Nog altijd liep ik verder over de te drukke straten van Madrid. Paniekerig probeerde ik mezelf te kalmeren: ‘Misschien valt het mee. Misschien moet ik hier even iemand over vragen’ dacht ik.

Nog enigszins gecontroleerd sprak ik een man aan die aan het bedelen was. De man zag er ongezond uit, en zoals veel zwervers, als iemand die regelmatig drugs gebruikte.

In mijn paniek dacht ik chaotisch: ‘oh waarom vraag ik dit aan hem? Dit is vast een junkie! Wat als hij ook aan de drugs is? Of ook drugs verkoopt?!’.

Hoe meer ik er over nadacht, hoe meer mijn gedachtes leken te kloppen. Deze zwerver was vast en zeker een junkie, en kende dus drugs dealers. Het kon wel eens zo zijn dat deze junkie een drugsdealer kende die mijn couchsurfing host kende.

De moed zakte mij in de schoenen. Om mij heen wemelde het van de mensen. Dit was een grote stad. In grote steden kwam er vaker georganiseerde misdaad voor. De kans dat de drugsdealer andere drugsdealers kende was erg groot. De kans dat er een criminelen samenwerkten met zwervers was ook aanwezig.

Er is hier in Madrid vast en zeker een hele serieuze maffia! Er is een heel netwerk in de stad van drugsdealers!’

Terwijl ik dit alles aan het denken was brak het koude zweet me uit op mijn voorhoofd. ‘Gaat het wel goed met je’ zei deze zwerver beleefd, en waarschijnlijk bezorgd.

‘Er is niks aan de hand’ zei ik terwijl mijn stem puberaal oversloeg en ik maakte mij uit de voeten.